<-- Rudi.
Ik weet het nog zo goed. Het was een regenachtige zaterdag.
Ik ren het clubhuis door als een klein kind, op zoek naar een super-de-luxe-geweldige-onvindbare verstopplek. Een deur staat open, en de ruimte erachter bevat veel opengescheurde, oude banken en allemaal frutsels. In mijn haast ren ik de ruimte in, en struikel over de losslingerende planken en posters. Ik worstel me door de rommel heen, en bereik mijn eindpunt - waar ik me ga verstoppen. Een klein barretje - omgeven door muren - trekt mijn aandacht, en bedenk dat 't best een goed verstopplekje is. Als ik de deur van het kamertje met het barretje dichttrek, en me achter de deurpost en onder het bar-uitsteeksel neer laat zakken, hoor ik de eerste mensen al het trappenhuis opkomen, om mij te zoeken, en er vervolgens bij te gaan zitten als ze me vinden. Ik hou van Belgisch verstoppertje.
''Waar is ze nou?'' hoor ik Martin zeggen, en ook Rudi vraagt zich af waar ik kan zitten. Ik blijf doodstil zitten, als Sean de deur opentrekt van het barretje, en ik zit als versteend als hij het hele rommelige berghokje doorzoekt, en mij recht in m'n ogen aankijkt. Tot mijn grote verbazing loopt hij het rommelhok weer uit, en heeft me blijkbaar niet opgemerkt. Niet alleen Sean loopt het kamertje binnen, ook Mélanie, Simone, Leonie en andere Scouts doorzoeken het barretje grondig. Maar niet grondig genoeg. Totdat iedereen zich afvraagt waar ik nu kan zitten, terwijl ze heel het clubhuis al hebben afgestruind.
''Ze móet hier wel zitten... De rest is niet zo rommelig als dit hier,'' zegt Mélanie. Ik hoor een vleugje ongerustheid in haar stem. ''Daphneeeeeeeeee!'' roept Simone, en ik hou me zo stil als een muis in het hoekje waar ik verstopt zit. Ik zie mijn medescouts komen en gaan, maar dan blijft er iemand ongemerkt achter, en laat zich zakken achter me, als de rest het lokaal is uitgelopen. ''Hee!'' fluister ik tegen de jongen die achter me komt zitten. Rudi showt z'n grootste lach die hij in huis heeft, en vertelt trots dat hij me eindelijk heeft gevonden. Ik grinnik wat, maar dan vertel ik hem dat we toch even stil moeten zijn.
''We hebben alles, wat we uit dit lokaal nodig hebben?'' vraagt een volwassen vrouwenstem. Rudi en ik houden ons stil. ''Ja,'' antwoordt een zware mannenstem. Dan gaat het allemaal heel snel. We horen wat gestommel, en dan een sleutel in een slot, die langzaam omgedraaid wordt. Rudi lacht wat, en dat 't grappig zou zijn als 't precies deze deur zou zijn die op slot zou worden gedraaid. Ik lach schaapachtig naar hem, maar vervolg bloedserieus: ''We zitten denk ik opgesloten, eh, Rudi.'' De big smile van Rudi verdwijnt langzaam van zijn gezicht.
We pakken in slowmotion de deurklink, en duwen 'm naar beneden. ''Shit,'' mompel ik. De deurklink gaat niet verder dan een klein stukje, en de deur wil zeker niet opengaan voor twee zielige Scouts. In reflex bonk ik op de deur. ''Help?'' roep ik vragend. ''HELP!'' roept Rudi. Maar omdat we op de zolder van het clubhuis zitten opgesloten, hoort niemand ons. Rudi kijkt zoekend om zich heen, en zegt dan: ''Eh, we hebben tenminste wél een televisie!'' Ik mompel iets onverstaanbaars, en Rudi verliest langzaam de hoop. We bonken verder op de deur. ''HELP! HELP!'' roepen we beiden. ''HELP!'' vervolgen we. Stilte.
Na een paar minuten doen we nog een poging tot help roepen. We horen iemand in de verte roepen, dat hij iemand hoort. Even wil ik Rudi omhelzen - maar als ik even nadenk, ban ik die gedachte uit mijn hersens. Rudi kijkt me hoopvol aan. Ik vind 't angstaanjagend om te zien dat hij waarschijnlijk 't zelfde denkt als ik, exclusief de verbanning van de gedachte uit de hersenpan. Sean komt vragend naar boven. ''Daphne? Ben je hier...?'' ''JAAA!'' roep ik opgewonden, en ik bonk nog eens extra op de deur, in de hoop dat de deur er spontaan uitvalt. ''We zitten opgesloten!'' roept Rudi. Binnen no-time staat de hele Scouting boven voor de deur, maar iedereen zonder sleutel van precies dit lokaal. Via deurcontact hoop ik duidelijk te kunnen maken dat ik uit dit lokaal wil, en na een paar minuutjes wachten hebben ze dan eindelijk de vrouw kunnen onderscheppen die de deur op slot had gedraaid.
''Er was toch niemand meer?'' hoorde ik haar vragen, en ze draait het slot open, en nog nooit heb ik iemand zo dankbaar aangekeken.